
Brouwerijen en werkgelegenheid.
De aanwezigheid van de brouwerijen betekende veel werkgelegenheid in de stad. In de brouwerij werkten de brouwers en knechten aan het bier maar dit is natuurlijk pas het topje van de ijsberg.
Om het bier te kunnen brouwen hadden de brouwers allereerst hun ingrediënten nodig. Deze producten kwamen soms uit de regio maar vaak ook uit andere landen in Europa. Zodoende moesten deze ingrediënten geïmporteerd worden naar de stad, dit deden de koopmannen en pontgaarders. Zij huurde schepen en schippers in om de goederen op te halen. Wanneer de handelswaar vervolgens arriveerde in de stedelijke wateren diende dit eerst gekeurd te worden en hiervoor stelde het stadsbestuur keurmeesters aan. Zij controleerde de handelswaar op kwaliteit en kwantiteit. Zo werd voorkomen dat de schippers tijdens het vervoeren een deel van de lading in eigen zak stopten of halverwege verpatsten. In de stad Delft waren voor de volgende handelswaren keurmeesters aangesteld:
Wanneer het handelswaar goedgekeurd was, kon dit verkocht worden aan de klanten in de stad. Driemaal per week stonden de kaden langs de Delftse grachten afgeladen met verkopers, klanten en brouwers die hun handelswaar wilden kopen of verkopen. Zoals de straatnamen al doen vermoeden werd de granen, ofwel koren, verhandeld op de Koornmarkt en het turf op de Brabantse Turfmarkt.
Het mouten van het graan.
De aangeschafte koren waren niet direct bruikbaar voor het brouwen van bier. Hiervoor diende eerst nog het graan gemout te worden. Dit werd gedaan door het graan enkele dagen onder water te dompelen.
Gedurende circa één week werd dit graan vochtig gehouden en af en toe omgekeerd, totdat het graan gekiemd was en kleine worteltjes uit de korrels waren gegroeid. Het graan met de worteltjes werd op de eest gelegd van wilgentenen of, vanaf 1500, gemaakt van paardenhaar. Hieronder werd een vuur gestookt en door de open structuur van de eest konden de graankorrels drogen. Na het drogen schudde de brouwer de eest flink om ervoor de zorgen dat de wortels van de korrels verwijderd werden. Dit proces werd veelal in een aparte mouterij uitgevoerd maar sommige grotere brouwerijen hadden beschikking over een eigen eestzolder. Zij waren dus minder afhankelijk van de mouterij.
Vervolgens werd het mout gemalen om, zoals het spreekwoord zegt, het kaf van het koren te scheiden. Hierdoor kan de brouwer tijdens het brouwen efficiënter suikers verkrijgen en dit scheelde weer geld in de aankoop van granen. Delft kende vele korenmolens waar het graan gemalen kon worden, hieronder staan een aantal van deze molens benoemd.
- De Helmolen Groenmolen
- Molen het Roosje Vlamingenstraatmolen
- Proostmolen Steckmolen
- Gasthuismolen Oostmolen
De grotere brouwerijen maalden vaak zelf hun granen, hiervoor hadden zij een rosmolen in of in de nabijheid van de brouwerij.
Wanneer de brouwers hun ingrediënten ingekocht, gemout en gemalen hadden kon het bier gebrouwen worden. In de begintijd van het brouwen waren in de brouwerijen naast de brouwer vaak ook nog 3 á 4 brouwersknechten in dienst (afhankelijk van de grootte van de brouwerij). Het personeelsbestand groeide soms echter wel tot 20 personeelsleden bestaande uit functies van dienstmeid tot brouwknecht. De brouwer of opperbrouwer had de leiding binnen de brouwerij, diegene stuurde iedereen aan en zorgde ervoor dat het brouwen goed uitgevoerd werd. Het waren echter de knechten die het bier brouwden. Nadat het bier klaar was werd dit in vaten gegoten. Het bostel dat als restproduct overblijft van de bierbrouwerijen was goed bruikbaar als veevoer. Dit werd door de brouwers verkocht aan de borstelverkopers en zij brachten het vervolgens weer aan de man (lees: koe of kip). Dit borstel moest natuurlijk naar de klant gebracht worden en dit werd dan weer, hoe kan het ook anders, door de borsteldragers gedaan.
Biervaten
De biervaten waarin het bier verhandeld werd, werden door de kuipers in elkaar gezet. Eén kuiper maakte per jaar circa 1450 vaten, dit zou betekenen dat in de stad Delft circa 300 kuipers benodigd had om aan de vraag van de brouwers te kunnen voldoen. Het maken van de vaten was een specialistisch klusje, u kunt zich voorstellen dat hout niet in een dergelijke wijze groeit. Dit moesten de kuipers dus met stoom en heet water ombuigen, dan een ijzeren ring eromheen slaan en het vat was klaar. De vaten hadden een speciale afmeting en moesten precies voldoen aan de Delftse inhoudsmaat. Zo niet ging er of te veel of te weinig bier naar de klant toe.

”Soo’t niet en sluit, Het leckt’er uit.” Jan Luyken wist in 1694 al dat het goed sluitend maken van de vaten heel belangrijk was want doe je dit niet? Dan lekt het er uit!
Linksachter zie je iemand de vaten dichtbranden. Dit gaf veel rook in de stad zoals je kunt zien. Daarnaast gaf dit ook zijn smaak af aan het bier of wijn dat hierin bewaard werd.
Bron: Rijksmuseum
Ondertussen hebben de brouwers de nieuw gemaakte vaten afgevuld met bier en komen de verzegelaars de brouwerij binnenlopen. De functie van verzegelaar was er niet zomaar één. De persoon in kwestie werd gekozen op goede vrijdag, door niemand minder dan de Schepen en de Burgemeester van de stad. Deze persoon had naast de functie om alle vaten te verzegelen ook de functie om deze weer te ontzegelen. Elke 6 weken melden de verzegelaars de overtredingen die zij hadden geconstateerd bij hun meerdere. Zij inden dan vervolgens de boete, in geld of goederen bij de schuldenaren.
Na het verzegelen was het belangrijk dat het bier zo snel mogelijk naar de klanten getransporteerd werd. Dit konden particulieren zijn maar ook herbergiers of tappers die het bier vanuit hun tapperij verkochten. Ook moesten de vaten vaak naar andere steden of landen worden getransporteerd. In dit geval werden de vaten op de schepen geladen. Dit zware werk werd gedaan door de kruiers. Deze kruiers waren beëdigde bewoners van de stad en werkten in de ochtend van negen uur tot half twaalf en in de middag van twee uur tot zes uur. De kruiers werkten vanuit het kruiershuisje wat gevestigd was op de markt op de hoek van de Markt en de Oude Langendijk. Wanneer de brouwer een kruier nodig had, moest hij naar dit huisje lopen. De koper van het bier haalde bij de persoon die over de accijnzen ging, een zogenaamde accijnzenaar, een stuk lood. Dit stuk lood werd door de kruier aan de brouwer geleverd en alleen dan mocht de brouwer het bier verkopen en de kruier het bier bezorgen bij de koper.
Wetgeving en accijnzen
Later kwam de accijnzenaar de loodjes en de verschuldigde accijnzen ophalen bij de brouwer wiens naam door de koper was doorgegeven. Dit alles was onder het mom van een waterdicht belastingsysteem. Dit was het echter allerminst, door alle betrokken partijen (met uitzondering van de accijnzenaar natuurlijk) werd fraude gepleegd met het kopen, verkopen en transporteren van het bier. Dit tot grote frustraties van het stadsbestuur.
Het exporteren van bier werd gedaan door de bierstekers, zij exporteerden het Delftse bier naar de klanten in het land en daarbuiten. Het exporteren was ook weer een vak an sich. Door de diepte van de watergangen richting Leiden was het niet mogelijk om grote schepen in te zetten. Zodoende werd in de stad eerst het bier op zogenaamde Damloopers en Vletschuiten getransporteerd richting Leiden alwaar het overgeslagen werd op grotere schepen zoals Lichters en Kagen. Dit zorgde weer voor werkgelegenheid van vele schippers.
Ook de benodigdheden om te kunnen brouwen werden in de stad gemaakt. Zo waren er ambachtslieden die de eestkleden van wilgentenen en paardenharen maakten om het graan te laten kiemen tot mout. In de stad waren ook smeden die de grote koperen ketels maakte voor de brouwerijen. Per brouwerij waren veelal 1 tot 2 ketels aanwezig, afhankelijk van de grootte van de desbetreffende brouwerij.
Hoogheemraadschap van Delfland en schoon water voor de brouwerijen
Zoals gezegd is water een zeer belangrijk ingrediënt voor het brouwen van bier en dit haalde zij uit de grachten van de stad. Hoogheemraadschap van Delfland was verantwoordelijk voor zowel de waterkwaliteit als de waterkwantiteit in haar beheergebied.
Brouwers konden bij het Hoogheemraadschap terecht voor klachten over te weinig of stinkend water in de grachten waar zij geen bier van konden brouwen. Dit was overigens niet aan dovemansoren gericht. Door het verzakken van het land rond Delft werd het steeds moeilijker om door middel van vrij verval het water in de stadsgrachten te krijgen. Dit had als gevolg dat het water niet werd ververst en begon te stinken. Daarnaast kon nu het zoute water uit de zee via de Schie naar binnen kon stromen. Dit water was op den duur zo slecht van kwaliteit dan het zelfs onbruikbaar was om bier van te maken. Dit was natuurlijk ondenkbaar en de brouwers hebben dit laten weten bij het stadsbestuur. Zij ondernemen direct actie en in 1450 wordt de Duyvelsgatmolen gebouwd die ervoor moet zorgen dat de grachten weer worden voorzien van schoon en voldoende water uit de omliggende polders. De brouwers gaan vervolgens weer tevreden door met het brouwen van bier!
Horeca
Als laatste maar zeker niet als minste is daar de werkgelegenheid van de herbergiers. Zij kochten het bier in de stad en verkochten dit weer aan dorstige stadsgenoten. Mede door de aanwezigheid van bier was de herberg vroeger een ontmoetingsplaats waar werd gedanst en gedronken en tijdens het drinken werden dan ook vaak spelletjes gespeeld of flinke discussies gevoerd. Deze mondde later op de avond soms uit in flinke vechtpartijen, getuige de vele schilderijen uit de 17e tot en met de 19e eeuw. Op het schilderij hieronder wordt echter nog vrolijk gedanst en gedronken.

Wellicht interessant?

Een schaamteloos stukje reclame voor het boek dat ik geschreven heb over de Delftse Biergeschiedenis. Dit boekwerk beschrijft de geschiedenis van het bier en brouwen in de prinsenstad. Een aanrader! al zeg ik het zelf.